Geschiedenis

De geschiedenis van het fanfareorkest

Op deze bladzijde vind je de geschiedenis van het fanfareorkest, in de prehistorie, de middeleeuwen en tot nu.

De prehistorie

De fanfare (en blaasmuziek) hebben een lange geschiedenis achter zich. Zo lang de mens leeft, moet hij ook hebben geblazen, alleen of in groepsverband.

De mensen in deze tijd gebruikten hiervoor schelpen en/of uitgeboorde hoorns van runderen. Een bugel of trompet zoals we ze nu kennen bestond natuurlijk nog niet.
Waarom wilden de mensen toen blazen op zo’n ‘trompet’ ? De mensen gebruikten deze instrumenten om signalen door te geven. Bijvoorbeeld om elkaar te waarschuwen als er gevaar dreigde, zonder dat je van je eigen veilige plekje weg moest lopen.

Rond 1400 voor Christus doken voor het eerst metalen trompetten op. Ze werden gemaakt door Egyptenaren. In deze tijd wisten ze nog niet hoe ze metaal konden ombuigen. Daarom was hun trompet niet meer dan een lange buis.
Toen de Romeinen de Egyptische manier van trompet-bouwen overnamen, ontwikkelden ze er een Romeinse Tuba mee. Dit was ook een langwerpig instrument, maar het kreeg een belangrijke plaats in de samenleving. De Romeinen maakten namelijk zo de eerste ‘militaire kapel’: de lange trompetten werden aangevuld met trommelaars en ieder leger werd voorgegaan door zo’n eigen groep muzikanten. En zo probeerden de Romeinen de vijand alvast af te schrikken.

De Middeleeuwen

De muzikale ontwikkelingen begonnen vrijwel altijd bij het leger. Muziekinstrumenten waren erg belangrijk voor de communicatie van militairen. Een mobiele telefoon of radio, dat was er nog niet.

Een soort trompet of trom was het enige geschikte middel om een signaal (bijvoorbeeld: ‘aanvallen!!!’ of juist: ‘jongens… terug!!’) snel, en over een grote afstand door te geven.
Toen de Turken in de 15e eeuw Europa binnenvielen, bracht dat niet alleen oorlog met zich mee: de Turken waren al heel ver met het in een groep muziek maken. Ze maakten gebruik van een melodiegroep die bestond uit pijperfluiten. Trompetten vormden met slagwerk (zoals pauken) de begeleiding, want zoveel kon de trompet van toen nog niet.
Bedenk maar eens: deze trompet was alleen maar een lange buis, zonder ventielen. Tja, dan kun je maar een paar (natuur-)tonen spelen en geen mooie melodieën…

Tot nu

Zo ontwikkelde de blaasmuziek steeds verder. Nieuwe technieken verbeterden de bestaande instrumenten, en maakten nieuwe toepassingen mogelijk. De mensen vonden bijvoorbeeld uit hoe ze metaal konden buigen, zodat een trompet niet meer zo onhandig lang hoefde te zijn. Daardoor werd het weer eenvoudiger om in groepsverband te spelen.

Muziek werd voor meer mensen bereikbaar. In de 18e eeuw kwam het leger weer met iets nieuws: ze namen de saxhoorns en saxofoons op in hun orkesten. Je vindt ze nog steeds bij de fanfares en harmoniën van nu.

Vanaf 1870 werden in steeds meer plaatsen in Nederland blaasorkesten opgericht. Nu niet meer alleen voor het leger, maar ook voor de ‘gewone’ mensen. En zo is het dus vandaag: geen dorp of stad in Nederland hoeft zonder een fanfareorkest te zitten.